Uit de schaduw

Dat hij altijd verliefd is geweest op het medium schilderkunst, en dat dit ook nu nog zo is, zo stelt hij het zelf. Als tijd- en geestgenoot van kunstschilders als Philippe Vandenberg, Marc Maet, Thé van Bergen, Fik Van Gestel en anderen behoort Paul Morez (Antwerpen, °1953) tot een generatie die eind jaren zeventig, begin jaren tachtig de kunstwereld energiek bestormde, met sterke, expressieve schilderijen, maar die daarna stilletjes doodgeknepen werd door mondiaal dominerende stromingen als de concept en minimal art.

Na zowat twee, drie decennia relatieve stilte is die generatie intussen al enkele jaren aan een herontdekking toe, en verdiend. Hun werk wordt opnieuw tentoongesteld en gepromoot en krijgt een herwaardering, zowel Belgisch als internationaal. Paul Morez neemt hier een unieke positie in: zijn werk is zowel sterk persoonlijk getint als bewust schatplichtig aan de verworvenheden van de 20ste-eeuwse schilderkunst.


In de jaren zeventig begon Morez op een haast kubistische wijze te schilderen, waarna snel een versobering optrad en zijn werk ook ruimtelijker werd. De objecten doken op: voorwerpen die hij zelf uitkoos en als model gebruikte. Die versobering kwam tot een eerste (maar niet laatste) eindpunt: als hij vond dat hij vormelijk en artistiek tot een eindpunt kwam, waar hij niet meer mee verder kon, koos hij bewust voor een stijlbreuk. Begin jaren tachtig uitte zich dat in een haast futuristisch en druk ogend oeuvre, waar je reminiscenties aan onder meer Jules Schmalzigaug in kon zien. Maar ook nadien dook de rust weer op: er ontstond een nieuw abstract spel van vormen en kleuren, waarbij de verf strak in één richting gestreken werd en basisvormen als cirkel, vierkant en rechthoek de bovenhand gingen halen.


In de jaren negentig dook de geometrie op: wat kan een schilder doen binnen het kader, wat kan je met een raster- of dambordpatroon? De kleuren werden een nog groter aandachtspunt, zowel de primaire als de secundaire, waarbij Morez zocht naar de relaties tussen beide. Vormen als het ovaal, het vierkant, de rechthoek, het raam, het kader werden grondig onderzocht. Het werk oogde bijna constructivistisch, maar ook De Stijl en Georges van Tongerloo konden als referentie genoemd worden.


Rond 2005 kwam er een serieuze stijlbreuk: de figuratie deed haar intrede. Plaasteren koppen, spiegels, scherven van mallen werden objecten in zijn strak opgebouwde schilderijen, verwijzingen naar de Chirico en Magritte waren onmiskenbaar. De slagschaduwen van de objecten werden net zo belangrijk als de objecten zelf, die uit hun schaduw leken te kruipen. Basisvormen doken weer op, maar nu in drie dimensies: bol, kubus, kegel, soms in primaire kleuren, soms in zwart-wit. Morez schilderde het licht doorheen de vormen, of door woorden als ‘volume’, ‘lumière’, ‘l’ombre’. Het werk werd haast minimalistisch.


Morez ging ook zelf vormen maken: dozen, constructies in hout of karton – ‘restvormen’ noemt hij ze – die hij dan in een decor plaatste en scherp belichtte, om zo natures mortes te schilderen, waarbij de schaduw o zo belangrijk bleef. De jongste tijd is het werk nog donkerder geworden, de contouren vallen bijna weg. En hij werkt met drapages: de objecten worden bedekt met een lap stof, we lijken op weg naar zwart op zwart, naar het diepdonkere, de schaduwen lijken elkaar te besluipen. Komt er weer een eindpunt aan?


We hebben hier te maken met een fundamenteel zoekende kunstenaar, die de geschiedenis van de schilderkunst door en door kent, er scherp gekozen elementen uit haalt en aan de slag gaat met vorm, lijn en kleur. Schilderkunstige gegevens worden, als in een serie, uitgewerkt tot een eindpunt zich onvermijdelijk aandient. Op naar een nieuwe serie, waarbij elementen uit vroeger werk dan weer terugkeren. De essentie lijkt: de grenzen aftasten tussen de voorstelling en de abstractie.


Wie zijn oeuvre doorloopt ziet een onmiskenbare persoonlijke en eigen stijl, een Paul Morez herken je van ver. Hij beoefent zijn schilderkunst als een ritueel, waarbij dingen geregeld terugkomen, maar de zoektocht blijft de essentie.

 


Marc RUYTERS

maart 2018